Nettobestaansmiddelen

Nettobestaansmiddelen

  • Wat wordt er verstaan onder bestaansmiddelen?

    Het begrip 'bestaansmiddelen' is zeer breed. Het gaat om alle regelmatig of toevallig verworven inkomsten, zoals bijvoorbeeld:

    • lonen (zie echter het eerste punt hieronder voor studenten),
    • werkloosheidsuitkeringen,
    • uitkeringen van een verzekering tegen ziekte en invaliditeit,
    • inkomsten van onroerende goederen waarvan u eigenaar bent (voor meerderjarige of ontvoogde personen),
    • inkomsten van kapitalen (voor meerderjarige of ontvoogde personen),
    • onderhoudsuitkeringen (zie echter het tweede en derde punt hieronder),
    • pensioenen (zie het vierde punt hieronder).
    • winst of baten uit diensten verleend, buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, in het kader van de deeleconomie (al dan niet van belasting vrijgesteld)
    • winst of baten uit occasionele diensten tussen burgers, buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid (al dan niet van belasting vrijgesteld)
    • vergoedingen voor verenigingswerk (al dan niet van belasting vrijgesteld)

    Worden daarentegen niet als bestaansmiddelen beschouwd voor personen die ten laste kunnen zijn:

    • de eerste schijf van 2.780 euro (inkomsten 2019) van de bezoldigingen verkregen door studenten in uitvoering van een contract voor studentenarbeid en door leerlingen in een alternerende opleiding, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen,
    • onderhoudsuitkeringen die ingevolge een gerechtelijke beslissing met terugwerkende kracht zijn toegekend of verhoogd en die zijn betaald na het jaar waarop ze betrekking hebben,
    • de eerste schijf van 3.330 euro (inkomsten 2019) van de ontvangen onderhoudsuitkeringen, van de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en van de wezenrenten, die aan kinderen zijn toegekend,
    • de eerste schijf van 26.840 euro (inkomsten 2019) van pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen ontvangen door ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die 1 januari 2020 65 jaar of ouder zijn,
    • wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies,
    • studiebeurzen,
    • premies voor het voorhuwelijkssparen,
    • inkomsten verkregen door een gehandicapte persoon, die in principe recht heeft op de tegemoetkomingen aan gehandicapten zoals bepaald in de wet van 27 februari 1987, ten belope van het maximumbedrag waarop deze persoon volgens die wet recht heeft,
    • bezoldigingen verkregen door gehandicapten ingevolge hun tewerkstelling in een erkende beschutte werkplaats.
  • Ik wil een persoon ten laste nemen. Hoe wordt het nettobedrag van de bestaansmiddelen bepaald?

    Het bedrag van de bestaansmiddelen waarmee rekening wordt gehouden, is een nettobedrag. Om het bedrag van de netto bestaansmiddelen te berekenen moet u steeds vertrekken van het bruto bedrag van de inkomsten.

    Van dat bruto bedrag moet u de volgende gedeelten die niet beschouwd worden als bestaansmiddelen aftrekken:

    • 2.780 euro (inkomsten 2019) van de bezoldigingen verkregen door studenten in uitvoering van een contract voor studentenarbeid en door leerlingen in een alternerende opleiding, evenals winst, baten en bezoldigingen van een bedrijfsleider behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen,
    • 3.330 euro (inkomsten 2019) van de ontvangen onderhoudsuitkeringen, van de overlevingspensioenen toegekend aan wezen in de publieke sector en van de wezenrenten, die aan uw kinderen zijn toegekend,
    • 26.840 euro (inkomsten 2019) van pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen ontvangen door uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die op 1 januari 2020 65 jaar of ouder zijn.

    Vervolgens mogen van dat bedrag kosten worden afgetrokken, welke ook de aard van het inkomen is:

    • ofwel de werkelijk bewezen kosten die u kan aantonen met bewijsstukken,
    • ofwel een forfaitair bedrag van 20%, met een minimum van 460 euro (inkomsten 2019) voor de bezoldigingen en de baten van vrije beroepen of andere winstgevende bezigheden.
       

    Lonen

    Voor bestaansmiddelen die bestaan uit lonen, is het brutobedrag gelijk aan het bedrag dat wordt bekomen:

    • na aftrek van de sociale zekerheidsbijdrage of solidariteitsbijdrage (meer informatie),
    • maar voor aftrek van de belasting die aan de bron is ingehouden (bedrijfsvoorheffing). Als geen enkele belasting aan de bron werd ingehouden, stemt het brutobedrag dus overeen met het werkelijk betaalde bedrag.

    Als dat loon verkregen is in uitvoering van een contract voor studentenarbeid, moet u 2.780 euro (inkomsten 2019) aftrekken om het brutobedrag van de bestaansmiddelen te verkrijgen! Die eerste schijf van het inkomen wordt niet beschouwd als een bestaansmiddel. U moet vervolgens de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

    Voorbeeld:

    In 2019 heeft uw dochter een brutoloon van 5.000 euro (na aftrek van de sociale zekerheidsbijdrage of solidariteitsbijdrage) ontvangen in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten. Enkel het deel dat de 2.780 euro overschrijdt, dus 2.220 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel. Na aftrek van de forfaitaire kosten (2.220 euro x 20 % = 444 euro), bedraagt het netto bedrag 1.776 euro.

    Onderhoudsuitkeringen toegekend aan uw kinderen

    Wanneer de bestaansmiddelen bestaan uit onderhoudsuitkeringen die een van de ouders aan zijn kind stort, moet u van dat bedrag eerst 3.330 euro (inkomsten 2019) aftrekken om het brutobedrag van de bestaansmiddelen te verkrijgen. Deze eerste schijf van onderhoudsuitkeringen wordt niet als bestaansmiddelen beschouwd. U moet vervolgens de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

    Voorbeeld:

    Uw kind heeft in 2019 een bruto onderhoudsuitkering van 6.000 euro ontvangen. Enkel het deel dat 3.330 euro overschrijdt, dus 2.670 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel. Na aftrek van de forfaitaire kosten (2.670 euro x 20% = 534 euro) bedraagt het netto bedrag 2.136 euro.

    Pensioenen ontvangen door uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers en zussen die op 1 januari 2020 65 jaar of ouder zijn.

    Als de bestaansmiddelen van uw ouders, grootouders, overgrootouders, broers of zussen die op 1 januari 2020 65 jaar of ouder zijn, zijn samengesteld uit pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, dan moet u een bedrag van 26.840 euro (inkomsten 2019) in mindering brengen. Die eerste schijf wordt immers niet beschouwd als bestaansmiddel. Vervolgens moet u nog de werkelijke of forfaitaire kosten aftrekken.

    Voorbeeld:

    Uw moeder, die 70 jaar oud is, heeft in 2019 een bruto pensioen ontvangen van 27.000 euro. Alleen het deel boven 26.840 euro, dus 160 euro, wordt in rekening genomen als bestaansmiddel. Na aftrek van de forfaitaire kosten (160 euro x 20 % = 32 euro) bedraagt het netto bedrag 128 euro.